De helden uit de jaren '50
De eerste poging in 1897 van een groepje jongens van adelijke afkomst om een nieuwe voetbalvereniging op te richten in Madrid mislukte. Volgens de toenmalige mode om alles wat met sport te maken heeft een Engelse naam te geven -het voetbal is tenslotte door de Engelsen uitgevonden- heette de eerste, jonggestorven vereniging 'Football Sky'. Deze naam veranderde iets later in 'New Football Club', maar ook dat hielp niet om te overleven. Net als het Nederlandse Ajax, dat precies in dezelfde periode een eerste, tevergeefse poging deed om in leven te blijven, was een heroprichting noodzakelijk.
In 1902 ontstond de 'Madrid Football Club', dat een fusie was van de oude club met universitaire voetbalverenigingen. Al snel speelde Madrid FC in de hoogste regionale divisie, de 'Campeonato del Centro'. Drie jaar later won de club voor de eerste keer de 'Copa del Rey', de Spaanse Cup. Deze bokaal werd daarna nog drie keer achtereen gewonnen. Het was het begin van een wereldwijde zegereeks, die zou leiden tot de huidige prijzenkast die een forse kamer in beslag neemt.
Koninklijk
Op 29 juni 1920 behaagde het koning Alfonso XII om Madrid FC de koninklijke eretitel 'Real' te geven. De banden tussen de voetbalclub en de adelijke élite kregen vorm, die enkele decennia later zouden leiden tot de politiek-sportieve eenheid Franco-Bernabeu. Iets later, in 1926, werd in Spanje het professionele voetbal ingevoerd en in 1929 de Nationale Liga. Real Madrid speelde hier vanaf het begin een grote rol in.
Zo toonde de club zich al heel vroeg een meester in het aantrekken van grote voetballers. In 1930 werd onder leiding van Bernabeu de sensationele aankoop aangekondigd van keeper Ricardo Zamora, die voor het toenmalige recordbedrag van 150.000 peseta's overkwam vanuit, ook sensationeel, Barcelona. Met Zamora in het doel had Real een ijzersterke verdediging opgebouwd, waar alle tegenstanders tevergeefs gaten in zochten. Het was dan ook een logisch gevolg dat de club uit de hoofdstad in 1932 en 1933 beslag legde op de nationale titel. Voor het Spaanse voetbal is dit kampioenschap het belangrijkste wat er te winnen is, omdat daarmee voor minstens één jaar wordt vastgelegd welke regio de scepter in handen heeft. Scheel van woede moesten de onderworpenen de macht van de hoofdstad op voetbalgebied erkennen.
De burgeroorlog
In 1936 begon de burgeroorlog, waarin de verschillende partijen elkaar op gruwelijke wijze bestreden. Deze generale repetitie voor de Tweede Wereldoorlog dompelde het Iberische schiereiland tot 1939 onder in ellende, waarin het voetballen geen kans kreeg. Met name de strijd tussen Madrid, de centrale staat, tegen Baskenland en Catalonië eiste een enorm aantal slachtoffers. Na de overwinning van Franco, de centrale staat, werd een keiharde diktatuur ingevoerd die stand zou houden tot in de jaren zeventig. In dit klimaat was elke uiting van regionale onfhankelijkheid streng verboden. Het spreken van de eigen taal of het uiten van de lokale cultuur werd bruut onderdrukt. Zelfs als ouders hun kind een naam wilden geven die verwees naar de regionale cultuur greep Franco in. De enige uitzondering die in die veertig jaar werd gemaakt was toen Johan Cruijff zijn in Barcelona geboren zoon de typische Catalaanse naam Jordi gaf. Nadat de gemeente Barcelona deze naam weigerde, werd vader Cruijff zo boos dat de ambtenaren schoorvoetend instemden met het voorstel. Dit voorrecht was echter alleen geschonken aan de familie Cruijff. De rest van het land zuchtte onder het regime, en in de onderdrukte regio's groeide de weerzin tegen Madrid en vooral de grote club die daar was gehuisvest. En toen, vlak na de burgeroorlog, moesten de echte hoogtepunten van Real nog komen.
Santiago Bernabéu
In 1943 werd Bernabéu verkozen tot president van Real Madrid. Al in 1912 debuteerde hij als midvoor in het eerste en ook zijn broer Marcelo sloot zich aan bij de club. Bernabeu, een steenrijke duivenkweker, en Real waren vanaf het begin een twee-eenheid, waarbij de één niet gezien kon worden zonder de andere. Voortvarend als de president was, startte hij meteen een inzamelingsaktie om de bouw van een nieuw stadion te bekostigen. Met een vooruitziende blik had hij geconstateerd dat het in de jaren veertig enigszins kwakkelende Real Madrid pas een toppositite kon verwerven als er een machtig onderkomen zou worden gerealiseerd.
Op 22 juni 1944 meldde de trotse voorman dat voor het bedrag van drie miljoen peseta's een lap grond was gekocht van ruim 350.000 vierkante meter. Enkele maanden later presenteerde Bernabeu het definitieve plan voor het nieuwe stadion, dat zou verrijzen tussen de ruïnes die nog resteerden van de burgeroorlog. In totaal zou dit hele projekt veertig miljoen peseta's kosten. Op 14 december 1947 was het Portugese Belenenses gast tijdens de openingswedstrijd tegen de thuisploeg. Het stadion 'Nuevo Chamartin' was geopend, waarmee een lange zwerftocht van de club door Madrid was afgerond. De eerste jaren werden de thuiswedstrijden gespeeld op een weiland, zoals het hoort bij de stoere geschiedenissen van grote voetbalverenigingen, en het omkleden vond plaats in toiletten van de nabijgelegen kroeg. Na drie stadions te hebben gebruikt als thuisbasis, was 1947 dan het jaar waarin Bernabeu eindelijk een vorstelijk onderkomen had gevonden. Als dank voor de grote en doorslaggevende inspanningen van de president werd het stadion vanaf 1955 naar hem vernoemd.
Di Stefano
De president was niet van plan zijn torenhoge ambities te beëindigen na de opening van het nieuwe stadion. Net als in 1930, met de aankoop van Zamora, ontwikkelde Real Madrid een doortastend aankoopbeleid. In 1953 stapte Alfredo di Stefano, alias 'de Blonde Pijl', van het Argentijnse River Plate over naar Real, na een lange en ingewikkelde ruzie met Barcelona. Beide clubs dachten namelijk dat zij de Argentijn hadden gekocht, waardoor een langdurige affaire ontstond. Na een interventie van de Spaanse bond werd besloten dat Di Stefano het eerste jaar in Madrid zou spelen en het volgende seizoen bij de grote rivaal uit Catalonië. Het leedvermaak in Barcelona was enorm toen de grote belofte uiterst slecht van start ging. Real mocht hem wel definitief houden, zei Barcelona, en daarvan kregen ze snel spijt. Vier dagen na dit 'genereuze' aanbod voldeed Di Stefano aan alle beloften in de wedstrijd tegen Barcelona en scoorde vier van de vijf doelpunten. Aan het eind van het seizoen behaalde Real voor het eerst sinds 1933 weer de nationale titel en maakte daarmee een einde aan de Catalaanse hegemonie van de voorgaande twee jaren. Alsof het nog niet erg genoeg was, werd Di Stefano topscoorder met een ruime voorsprong op de Barça-spelers. Tot en met 1967 speelde hij 624 wedstrijden voor Real, waarin hij 402 keer scoorde.
In 1964 werd hij zelfs ontvoerd door een Argentijnse guerillagroep tijdens een bezoek aan Veneuzela. Het ging de ontvoerders vooral om het trekken van de internationale aandacht. Na twee dagen spekulaties in alle kranten had de organisatie dat bereikt, en besloten daarop de voetballer vrij te laten.
Naast Di Stefano werd een magisch en vooral onverslaanbaar team geformeerd, dat een half decennium lang Europa in zijn greep had. Als linksbuiten fungeerde de jonge Francisco Gento, die naam maakte als de onwaarschijnlijk snelle spits. 'De storm in de golf van Biskaye' noemden de dorpsgenoten uit zijn geboorteplaats hem. Na het neerslaan van de Hongaarse opstand door de Sowjet-Unie in 1956 verliet Ferenc Puskas zijn geboorteland en sloot zich ook aan bij Real Madrid. Bij aankomst toonde hij een gebrek aan discipline, dat stevig werd aangepakt door Bernabeu. Puskas werd bijvoorbeeld gedwongen om drie wollen truien te dragen tijdens een training in de volle zon. Deze Spartaanse benadering hielp en de Hongaar tilde zijn team naar een onaantastbaar niveau, dat zijn hoogtepunt vond in de finale van de Europa Cup 1 in 1960. Eintracht Frankfurt werd verslagen met 7-3 na vier keer Puskas en drie keer Di Stefano. Later dat jaar werd tevens de Wereldbeker gewonnen.
De finale tegen Eintracht was de laatste grote overwinning voor Real na vijf succesjaren, omdat Barcelona de aartsrivaal in het volgende seizoen uit het belangrijkste Europese toernooi gooide. Zeven jaar na de transfer van Di Stefano hadden de Catalanen dan eindelijk weer eens een belangrijke slag gewonnen in de voetbalburgeroorlog. Wat Barcelona echter niet meer kon afnemen van Real, en wat nog niemand daarna is gelukt, is het vijf keer achtereen winnen van de Europa Cup 1. Een unieke prestatie die wellicht nooit meer zal worden herhaald.
In 1962 behaalde Real wederom de Europa Cup 1-finale, maar dolf tegen Benfica het onderspit. Hetzelfde gebeurde in 1964 tegen Inter Milan. De laatste keer dat de club de beker met de grote oren won, was in 1966 tegen Partzin Belgrado. In de eerste ronde van deze jaargang werd Feyenoord nog uitgeschakeld. Ondanks een thuiszege van de Rotterdammers, had Real Madrid op 22 september 1965 in eigen huis weinig moeite met de tegenstander. Vlak voor tijd, toen het 5-0 was, ontrolden de Madrileense fans het spandoek met de tekst: 'Wij Madrilenen houden in ons stadion niet van grapjes. Wij zijn de besten.' Het was de laatste keer dat Real de Europa Cup 1 won, ondanks het bereiken van de finale in 1981. Door een treffer van Alan Kennedy won Liverpool toen.